Hoe voer je lastige gesprekken met ouders over gevoelige thema’s in de kinderopvang?

Soms weet je dat je iets moet zeggen tegen ouders, maar weet je niet hoe. Hieronder nemen we je mee in een situatie je misschien wel herkent.
Een kind dat je bezighoudt
Amir is 3,5 jaar. Hij is al bijna een jaar bij jullie op de groep. Amir is een vrolijk kind, dat graag bezig is met auto’s en bouwen. Maar de laatste maanden zie je iets wat je bezighoudt.
Op die leeftijd verwacht je dat kinderen beginnen mee te doen in eenvoudig samenspel. Ze overleggen, ze delen materiaal, ze trekken elkaar in een spel. Bij Amir zie je dat minder terug. Als de andere kinderen een spel opbouwen, kijkt hij toe. Soms loopt hij erbij, maar haakt hij snel af. Niet omdat hij niet wil: je ziet zijn ogen oplichten als ze bouwen. Maar als iemand iets zegt, zoekt hij. Zijn mond gaat open, maar de woorden komen niet.
Thuis spreekt het gezin Arabisch. Zijn Nederlands ontwikkelt zich, maar langzamer dan je bij 3,5 jaar verwacht. Misschien heeft dat gevolgen voor hoe hij mee kan doen?
De kat die je uit de boom kijkt
Je wilt dit al een tijdje bespreken met Amirs ouders. Maar je hebt het ophaalmoment al twee keer voorbij laten gaan. Want hoe zeg je dit zonder dat het klinkt als: uw taal is een probleem? Zonder dat het klinkt als een oordeel over hoe zij thuis opvoeden?
Je kent de vader. Hij is trots op Amir, dat merk je. En hij heeft een keer verteld hoe belangrijk het voor hem is dat Amir zijn roots behoudt, zijn taal, zijn cultuur. Vandaag staat hij in de gang. Je haalt diep adem.
Het gesprek dat je toch begint
Je vraagt of hij even een momentje heeft. Hij knikt, legt zijn tas neer.
Je begint met wat je ziet, niet met wat je mist. Je vertelt dat Amir een kind is dat graag meedoet, dat zijn ogen oplichten bij het bouwen, dat hij een prachtige fantasie heeft. En dan zeg je het: je merkt dat hij in de groep soms zoekt naar woorden in het Nederlands. En dat je denkt dat hem dat belemmert om mee te doen met de andere kinderen. Bij 3,5 jaar verwacht je dat een kind zijn plekje begint te vinden in het samenspel, en taal speelt daarin een grote rol.
Je wilt hem ondersteunen. Maar je wil ook weten hoe hij en zijn vrouw daarnaar kijken.
De vader luistert. Dan zegt hij:
“Maar thuis heeft hij nooit problemen. Hij praat gewoon. Hij speelt met zijn neefjes. Ik begrijp niet wat u bedoelt.”
De opmerking die schuurt
Je voelt iets verschuiven. Dit is niet wat je had verwacht. Je had verwacht dat hij bezorgd zou zijn, misschien defensief. Maar je begrijpt het ook. Thuis is Amir in zijn element. Thuis heeft hij de woorden. Maar dan voegt de vader eraan toe:
“Misschien wordt er hier niet goed genoeg met hem gepraat.”
Dat landt hard. Je eerste impuls: verdedigen. Uitleggen dat jullie juist veel met de kinderen praten, dat de taalstimulering een vast onderdeel is van jullie aanpak, dat je je best doet.
Maar je doet het niet.
Je stopt. Je ademt. Je kijkt hem aan.
De vertraging die je inzet
Wat hoort hij als jij dit zegt?
Misschien hoort hij: uw kind heeft een achterstand. Misschien hoort hij: uw taal is het probleem. Misschien hoort hij iets wat hij al vaker heeft gehoord: van instanties, van mensen die vonden dat zijn cultuur in de weg stond, van de school van een oudere broer of zus. En nu staat er iemand van de opvang die hetzelfde lijkt te zeggen.
Zijn reactie, misschien wordt er hier niet goed genoeg met hem gepraat, is geen aanval op jou. Het is een verdediging van zijn kind. En misschien ook van zichzelf.
Je vraagt:
“Wat is voor u het belangrijkste in hoe Amir hier bij ons is?”
De verandering die toen volgde
De vader kijkt je aan. Even stil. Dan begint hij te vertellen.
Over zijn eigen schooltijd. Over hoe hij altijd het gevoel had dat zijn taal iets was om je voor te schamen, iets wat je zo snel mogelijk moest afleren. Over hoe hij wil dat Amir dat anders ervaart: dat hij trots kan zijn op wie hij is, ook hier, ook in het Nederlands.
Je luistert. En dan zeg je:
“Dat wil ik ook voor hem. Dat hij hier trots kan zijn op wie hij is. Laten we kijken hoe we hem daarin samen kunnen ondersteunen. In het Arabisch én in het Nederlands.”
De vader knikt. Niet enthousiast, maar wel anders dan een minuut geleden. Er is iets verschoven.
Het resultaat dat je mee naar huis neemt
Dit scenario laat drie dingen zien die in de kinderopvang regelmatig spelen, maar niet altijd worden benoemd:
- Begin met wat je wél ziet, voor je benoemt wat je zorgen baart. Een ouder die alleen het zorgpunt hoort, verdedigt zich. Een ouder die eerst gehoord wordt, kan ook luisteren.
- Een defensieve reactie gaat zelden over jou. De vader reageert niet op jouw observatie: hij reageert op een patroon van eerder ongehoord zijn, van momenten waarop zijn taal als belemmering werd gezien. Dat patroon heb jij niet veroorzaakt, maar kun je helpen doorbreken.
- Meertaligheid is geen achterstand. Kinderen die met twee talen opgroeien, ontwikkelen beide talen,maar niet altijd gelijk. Thuis is Amir vaardig in het Arabisch. Op de opvang bouwen jullie aan zijn Nederlands. Samen geef je hem meer, niet minder.
Lastige gesprekken over taal en cultuur in de kinderopvang zijn geen gesprekken over problemen. Het zijn gesprekken over wie een kind mag zijn, en hoe jij en de ouder dat samen kunnen waarborgen.Wil je hier zelf mee oefenen met je team? Download de teamoefening “Oefenen met vertragen”, met herkenbare situaties (zoals die van Amirs vader) om in tweetallen en plenair te bespreken.
Meer weten over lastige gesprekken in de kinderopvang?
Globi biedt trainingen en workshops voor kinderopvangorganisaties over cultuursensitieve communicatie en het voeren van schurende gesprekken met ouders.