“Nederlandse scholen annuleren uitwisseling China.” Precies één jaar geleden werd het landelijk nieuws: ons advies aan scholen om niet op uitwisseling naar China te gaan werd door de media opgepikt. De weken erna werd duidelijk dat corona een wereldprobleem zonder grenzen was. En met de wereld stond ook het landschap van internationalisering op zijn kop, want internationale mobiliteit kwam abrupt tot een einde. De vraag die op scholen rees: hoe richt je internationalisering in als je niet op reis kunt? 

De meeste scholen wachten af

Het antwoord van veel scholen op die vraag luidt: niet. Veel scholen hebben internationalisering op ‘pauze’ gezet in de hoop dat de pandemie niet lang meer duurt en het programma weer snel opgestart kan worden. Begrijpelijk; dit zijn projecten waar coördinatoren en docenten bloed, zweet en tranen in hebben zitten. Contacten opbouwen met scholen in het buitenland is intensief en vraagt veel uren. Een betekenisvolle, duurzame uitwisseling ontwikkelen eveneens. Dat scholen geen alternatief programma opstarten is niet alleen omdat ze niet weten hoe. Het is omdat het opstarten van een nieuw programma voor veel scholen voelt alsof ze afscheid moeten nemen van wat er al staat. Daarnaast hoopt natuurlijk iedereen dat de pandemie snel verdwenen is en en zijn de uitdagingen voor docenten om het reguliere onderwijs door te laten lopen bepaald niet mis.

Wat leerlingen en studenten ondertussen missen

Maar wanneer is de epidemie voorbij? En zelfs als Covid-19 de wereld uit is, is dan alles direct weer zoals het was? Of is internationalisering op een aantal vlakken definitief veranderd? Eén ding is zeker: als je de pauzeknop ingedrukt laat, missen leerlingen en studenten een hoop. Ze werken weinig of helemaal niet aan hun interculturele vaardigheden. Ze missen ontmoetingen met leeftijdsgenoten uit andere culturen en ervaringen die ervoor zorgen dat ze andere perspectieven leren kennen. Leerlingen en studenten missen essentiële ervaringen die hun wereld groter maken, juist in een tijd waarin hun wereld al zo klein geworden is.

Wereldburgerschap is nog belangrijker geworden

Op veel scholen is het onderwijs door de pandemie een stuk minder internationaal geworden. Tegelijkertijd komt de onderlinge afhankelijkheid tussen landen wereldwijd juist nu steeds duidelijker naar voren. Die onderlinge afhankelijkheid vergroot de behoefte aan wereldburgers met interculturele vaardigheden. Daarnaast is er een aantal prominente wereldleiders dat verschillen tussen mensen benadrukt, waardoor mensen van elkaar vervreemden. Betekenisvol contact tussen mensen met verschillende achtergronden kan deze tendens tegengaan en is daardoor in het huidige wereldklimaat des te belangrijker.

Hoe internationalisering ook anders (digitaal) kan

Om toch samen met leerlingen en studenten te kunnen werken aan wereldburgerschap zijn er gelukkig veel digitale alternatieven. Denk aan eTwinning en aan Globi’s digitale uitwisselingen met China (met Sino-Talent) en India (met Eumind). Natuurlijk, een digitale ontmoeting is niet hetzelfde als een ontmoeting in het echt. Maar online internationalisering is, mits goed uitgevoerd, geen slap aftreksel: leerlingen leren open te staan voor wat ‘anders’ is, maken kennis met nieuwe perspectieven, ontdekken overeenkomsten met leeftijdsgenoten aan de andere kant van de wereld en verrijken hun wereld. Daarnaast leren leerlingen hoe ze digitaal communiceren met andere culturen: een vaardigheid die voor velen onmisbaar is als ze straks aan het werk gaan. 

Schermmoeheid?

Ben je moe van al die digitale oplossingen? Dat begrijpen we goed, je wilt je schermtijd en die van je leerlingen liever beperken dan vergroten. En toch: digitaal internationaliseren is leuker en effectiever dan je denkt. Lees volgende week, in deel 2 van dit artikel, waarom.